Een man zonder geld rijdt in een Porsche...

 
Een man zonder geld rijdt in een Porsche...

Dit is een hoofdstuk in wording uit het boek Geld Gaat Nooit Over Geld. Klik hier voor meer info en om het boek te lezen of bestellen.


Ik logeer een week bij Frank in Bilthoven. Hij woont naast De Oude Theresiaschool. Daar houdt hij samen met zes anderen praktijk. Ik ontdek er een hele mooie, rustige binnentuin die wordt omringd door kunst(enaars). 

Bea heeft een fotostudio. Marjon schildert en geeft schilderles. Iris—de zus van Frank— giet haar gedichten in schilderijen. Of schilderijen in gedichten. Of allebei.

Iris werkt en woont in de oude school. Trots en triomfantelijk vertelt ze me: ‘Ik woon anti-kraak en ik rij in een Porsche.’ Ze stelt me voor aan ‘Kleine P’, bouwjaar 1992.

Ik heb niet veel met auto’s, maar van alle Porsches vind ik deze altijd al de meest Porsche. Op donderdag vraag ik Iris of ze mij vrijdag naar een benzinepomp wil brengen. Dat wil ze heel graag. Stiekem hoop ik op meer. 

Vrijdag staan we bij haar auto.
‘Iris, ik durf het bijna niet te vragen, maar...’
—‘Wil je rijden?’

Voor het eerst in mijn leven stap ik in aan de bestuurderskant van een Porsche. Ik heb nog nooit in zo’n lage cockpit gezeten. Frank maakt een foto en dan zijn we weg.

We naderen een benzinepomp vlak voor de A27. 
‘Stoppen we hier of rijden we nog een stukje door?’
—‘Nee, je moet wel even de snelweg op, anders heb je niet echt in deze auto gereden.’

Ik trap Kleine P zachtjes op z’n staart. Hij bromt tevreden en brengt ons helemaal naar afslag Blaricum. Hij zet mij af en brengt Iris terug naar Bilthoven. Ik loop naar het begin van de oprit naar de A1.

Ik sta bij het stoplicht. Ik zie een vrouw op een fiets.
‘Waar ga je naartoe?’
—‘Naar Amsterdam.’
‘Neem je de bus?’
—‘Nee, ik ben aan het liften.’
‘Liften?! Maar mensen zijn helemaal niet lief!’
—‘Oh? Ik vind mensen heel lief.’
‘Nou, ik hoop het voor je.’

Haar licht springt op groen. Ik blaas een haar een kusje toe terwijl ze wegfietst. Ik zwaar naar haar zoontje die achterop zit. Hij zwaait niet terug. Ik zwaai nog een keer. Hij zwaait terug en lacht.

Vijf seconden later stopt een auto. Twee warme gezichten.
‘Wij gaan naar Den Haag. We komen langs Amsterdam dus we kunnen je in Amsterdam droppen.’
Ik stap in bij Linda en Henk.
‘We stonden voor het stoplicht terwijl je met die vrouw op de fiets stond te praten. We zagen je lachen, een zoen naar haar blazen en zwaaien naar het jongetje. We zeiden tegen elkaar: ‘Die moeten we gewoon meenemen.’’

Linda, Henk en ik praten over liften, over geld en over spullen. Linda heeft een kledingwinkel en een leuk idee: aan het eind van seizoen een ruilfeest organiseren. ‘Consuminderen inspireert me en daar wil ik iets mee doen. Ik zou kunnen zeggen dat het zakelijk niet zo handig is, maar het lijkt me gewoon zo leuk!’ 

In Amsterdam maak ik een foto en geven we elkaar een knuffel.

Ik word altijd meegenomen door onwijs open en warme mensen. Maar volgens mij zijn we dat allemaal, open en warm. Het is alleen de angst die ons weerhoudt van de ontmoeting.
 
Ik krijg het weer zo mooi in m’n schoot: we trekken aan wat we uitzenden. Ik voel me steenrijk. Binnenkort roep ik een Nationale Liftdag in het leven. Dat het weer normaal mag worden, contact met 'vreemden'.


Inspiratie in je inbox?
Schrijf je
hier in voor de Astronauten op Aarde nieuwsbrief.